De zesdeklasfilosoofjes kunnen iets wat weinigen kunnen: ruim een half uur op hoog niveau een filosofisch gesprek over een Brussels kunstwerk leiden. Daar gingen intensieve weken van voorbereiding aan vooraf. Zij verdiepten zich eerst in kleine groepen uitgebreid in de ondeugden in De val van Icarus van Pieter Brueghel, het Belgische symbolisme, de christelijke en wereldse vergeving of de metafysica van het onvolprezen genre van de strip. Volgezogen met kennis namen ze hun klasgenoten, die onbekend waren met het kunstwerk, mee op een filosofische reis door twee Brusselse musea. De opdracht voor de gespreksleiders luidde: je leidt een gesprek van een half uur bij één kunstwerk, je mag niets uitleggen of vertellen, je mag alleen vragen aan je klasgenoten stellen en meanderend geklets is verboden. Dat haalde het beste in hen naar boven: aandachtig naar elkaar luisteren, een forse dosis improvisatievermogen en tegelijkertijd oog houden voor de beoogde samenhang in het gesprek. Ze hebben zichzelf en elkaar verrast met grandioze gesprekken. Hierop kon niets anders volgen dan een supergezellige namiddag en avond met elkaar in Brussel.
